Jeroen Dupont viool
Rik Kuppen piano

 

Wolfgang Amadeus Mozart (1756 – 1791)
Sonate voor piano en viool in C-groot Kv. 296
1. Allegro vivace
2. Andante sostenuto
3. Rondo. Allegro

Anton Webern (1883 – 1945)
Vier stukken voor viool en piano, Op. 7

Maurice Ravel (1878 – 1937)
Sonata Posthume voor viool en piano

» pauze «

Richard Strauss (1864 – 1949)
Sonate voor viool en piano, Op. 18
1. Allegro, ma non troppo
2. Improvisation: Andante cantabile
3. Finale: Andante – Allegro

Niccolò Paganini (1782 – 1840)
Mosè-Fantasia, MS 23

Manuel de Falla (1876 – 1946)
(arr. Fritz Kreisler)
Danse Espagnole (“La vida breve”)


 

Programmabeschrijving:

Wolfgang Amadeus Mozart schreef zijn sonates voor viool en piano in een tijd waarin de rollen van instrumenten drastisch aan het veranderen waren. Tot die tijd kende men vooral het idee van de ‘solosonate’, een sonate voor bijvoorbeeld viool met daarbij begeleiding van een basinstrument of basso-continuo. Door de snelle opkomst van de fortepiano in de adellijke milieus en grote veranderingen van de mogelijkheden ten opzichte van de klavecimbel, ontstond er een nieuw idee van gelijkwaardigheid van de instrumenten. Sterker nog, de rollen draaiden soms om. De sonates van Mozart werden omschreven als ‘sonates voor klavier met vioolbegeleiding’. Dit bood een oneindige wereld aan nieuwe klankmogelijkheden, waarin beide instrumenten fluïde waren in hun rollen, elkaar aanvulden, onderbroken of samengingen. Het opende de deuren voor een nieuw soort van kamermuziek.

Onvoltooid portret van Mozart door Joseph Lange

Sonate Posthume van Maurice Ravel is de eerste vioolsonate die Ravel componeerde, de minder bekende van zijn twee vioolsonates. Het werk werd pas lang na zijn dood, in 1975, gepubliceerd. Een brief van Ravel vermeldt dat hij van plan was meer delen te schrijven, maar het werk bleef eendelig.

Maurice Ravel

Het is met vier stukken voor viool en piano op. 7 dat Anton Webern een experimenteren begon met extreme concentratie van vorm en klankmateriaal. Hij zette dit voort in zijn latere werken, zoals zijn Zes Bagatellen voor strijkkwartet op. 9 of Five Pieces voor orkest op. 10. Hun stijl, meestal gedefinieerd als aforistisch, was nog ongehoord in die tijd: sommige stukken hebben minder dan tien maten, die minder dan een minuut duurden! De cyclus van vier stukken op. 7 is symmetrisch opgebouwd in contrasten van tempo, dynamiek en zijn zeer expressief van karakter.

Richard Strauss

Richard Strauss was al van jongs af aan geobsedeerd door het orkest. Het orkest betekende als wereldberoemde dirigent en componist alles voor hem. De enorme rijkdom aan kleuren, en het massieve en grootse geluid van de tutti’s tegenover de eenzame, intieme sfeer van een solo: de duizenden mogelijkheden van orkestreren boeiden hem eindeloos. De sonate voor viool en piano, gecomponeerd in zijn 24e levensjaar, was het laatste kamermuziekwerk dat hij schreef. In dit werk horen we het orkest overal doorklinken. Het wemelt er van de verschillende, denkbeeldige instrumenten, van de tutti’s en de solo’s. Het werk is een jubelende verering van het leven, van de grootsheid van alles om ons heen en de waanzinnige bergen die je als jongeling nog denkt te gaan verzetten.

Voor zijn optredens had Niccolò Paganini een spectaculair onderdeel ingestudeerd waarbij hij drie snaren van zijn viool liet knappen en noodgedwongen was verder te spelen op één snaar. Deze variaties op een thema uit de opera Moses van Rossini worden geheel op de G-snaar uitgevoerd, het is één van de beroemdste encore-stukken van Paganini.

Fritz Kreisler maakte in 1926 een bewerking van de Danse Espagnole uit de opera “La Vida Breve” van Manuel de Falla. Deze bewerking is door vele grote violisten op de plaat gezet.